Opleidingstrajecten digitaal samenwerken
Om de digitale vaardigheden van medewerkers op voldoende niveau te krijgen, willen wij een digitaal rijbewijs inzetten waarmee we een basisniveau voor digitale vaardigheden kunnen garanderen. Op basis van de functie van een medewerker en zijn of haar individuele digitale vaardigheden wordt een op maat gemaakte ontwikkeltraject ingezet. Wij gaan inventariseren wat daarvoor nodig is. Afhankelijk van de uitkomsten van deze inventarisatie zijn opleidingskosten noodzakelijk van maximaal € 3.000 per medewerker. Aangezien de inventarisatie nog uitgevoerd moet worden is deze ontwikkeling benoemd als toekomstig risico.

Herstelplan voor de horeca
De impact van de coronapandemie is groot op ondernemers in Vlaardingen. Ondernemers ervaren voornamelijk negatieve gevolgen van de crisis. Negatieve effecten zijn onder andere afname van omzet, vraag, financiële reserves en investeringsvermogen, met verlies van werkgelegenheid, faillissementen en toenemende leegstand als ultiem ongewenst gevolg.
Het herstelplan voor de horeca in Vlaardingen zal zich, gelet op de financiële situatie van de gemeente, voornamelijk richten op de mogelijkheden van deregulering. Toch zijn er financiële middelen nodig om het herstelplan te kunnen uitvoeren. Deze financiële middelen zullen ingezet worden voor het aantrekken van bezoekers om zo een leefbare stad met voorzieningen en werkgelegenheid te behouden. Te denken valt aan het stimuleren van evenementen, promotie van de stad en het aanpassen van beleid (horecanota, terrassenbeleid, detailhandelsnota).
Zwembad de Kulk
Zoals eerder aangegeven in deze kadernota vindt er onderzoek plaats naar de toekomst van zwembad de Kulk. De relatief hoge onderhoudskosten in verhouding tot de ouderdom van het zwembad maken dit onderzoek noodzakelijk. De nu geïdentificeerde onderhoudskosten voor 2026 (€ 900.000) nemen we op als risico in deze kadernota.
Invoering Omgevingswet
De Omgevingswet komt op gemeenten af. Met behulp van het Financieel Dialoogmodel
Omgevingswet van de VNG is op basis van de Vlaardingse situatie een inschatting gemaakt van de minimale kosten die de gemeente moet maken voor de uitvoering van de Omgevingswet. Het VNG model kent verschillende niveaus van inschaling. In deze kadernota is het bedrag opgenomen dat volgens de VNG ‘de minimale variant’ wordt genoemd. Extra wensen in de uitvoering van de Omgevingswet leiden daarmee tot extra kosten.
Duurzaamheid
Ten aanzien van de ambities rondom duurzaamheid zien we een viertal risico’s.
Transitievisie Warmte
Gemeenten dienen de Transitievisie warmte (hierna TWV) uiterlijk eind 2021 te hebben opgesteld. Hierin beschrijven we de volgordelijkheid voor wijken en buurten die van het aardgas af gaan, welke strategieën daarvoor in beeld zijn en de beoogde rol van de gemeente. Voor Vlaardingen betekent het dat in 2050 voor 35.146 woningen en 3.748 utiliteitsgebouwen een duurzame oplossing moet worden gevonden voor het verwarmen van deze gebouwen.
Na vaststelling van de transitievisie warmte door de gemeenteraad zal er vanaf 2022 uitvoering worden gegeven aan deze visie. Het Rijk buigt zich op dit moment over een advies van de Raad van Openbaar Bestuur gericht op de besturing en bekostiging van de decentrale uitvoering van het klimaatakkoord (energietransitie) door onder andere de gemeenten. Er is aangekondigd dat hier na de zomer 2021 duidelijkheid over komt. Dit leidt in deze kadernota nog niet tot een financiële vertaling, maar dat komt volgend jaar hoogstwaarschijnlijk wel.
Duurzame gemeente en samenleving
Vlaardingen heeft zelf een voorbeeldrol te vervullen. Het verduurzamen van gemeentelijke processen en bedrijfsvoering doen we vanuit regulier budget. Wat betreft verduurzaming van het gemeentelijk vastgoed is er een verplichting. Daarvoor werken we in 2021 een plan uit. Daarnaast is er de bestuurlijke wens om in te zetten op bewustwording en bewoners en bedrijven goed te informeren, te ondersteunen, te stimuleren en te verbinden rond duurzame thema’s. Vanuit het Klimaatakkoord is dat wat betreft de energietransitie een verplichting. Dat vraagt extra inzet op communicatie en een werkbudget voor stimulering. Dit leidt in deze kadernota nog niet tot een financiële vertaling, maar dat komt volgend jaar hoogstwaarschijnlijk wel.
Uitvoeringskosten
Om sturing te geven aan dit geheel van verplichtingen, ambities en inspanningen is een
programmamanager duurzaamheid nodig die, met enige ondersteuning, bovendien kan zorgen voor het tijdig in gang zetten van verdere beleidsontwikkeling en uitvoering van maatregelen, coördinatie op omgevingscommunicatie en relatiebeheer, het volgen van de landelijke en regionale ontwikkelingen, het benutten van kansen vanuit subsidies en regelingen, verbinding en kennisdeling tussen betrokkenen en sub-thema's, invulling van organisatorische randvoorwaarden en ondersteuning van kennisontwikkeling in de lijn. Dit leidt in deze kadernota nog niet tot een financiële vertaling, maar dat komt volgend jaar hoogstwaarschijnlijk wel.
Dekking door Rijksoverheid
Het Rijk buigt zich op dit moment over een advies van de Raad van Openbaar Bestuur gericht op de bekostiging en besturing van de decentrale uitvoering van het klimaatakkoord. Het advies is om de gemeenten een rijksbijdrage te doen toekomen in de vorm van een brede doeluitkering. Er is een beeld van de uitvoeringskosten, maar het is niet bekend wat de hoogte van deze bijdrage voor Vlaardingen wordt. Er is aangekondigd dat hier in Q3/Q4 2021 duidelijkheid over komt.
Bodem
De provincies dragen de ‘bevoegd gezag- taken’ uit de voormalige Wet bodembescherming en Besluit Uniforme Saneringen in het kader van de Omgevingswet per 1 januari 2022 over aan de gemeenten.
Bodem wordt een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Onduidelijk is nog wat de financiële gevolgen zijn van deze overdracht.
Doelgroepenvervoer
De wijze waarop het huidige doelgroepenvervoer (MVS) is georganiseerd is op de lange termijn kosteninefficiënt en niet houdbaar. Voorzien wordt dat zonder beheersmaatregelen de lasten voor vervoer ieder jaar substantieel zullen toenemen.
Corona heeft het doelgroepenvervoer sterk beïnvloed. Met name tijdens de strenge lockdown zagen we een afname in de vraag naar doelgroepenvervoer. Onder invloed van deze ontwikkeling heeft het Gemeenschappelijk Orgaan ROGplus in 2020 besloten de lopende contracten te verlengen tot medio 2023. Dit heeft naar verwachting een tijdelijk kostendrukkend effect. In 2023 moet opnieuw gecontracteerd gaan worden. Beoogd wordt om het doelgroepenvervoer vanaf dan anders te organiseren. Onderzoek naar de mogelijkheden daarvoor is als maatregel opgenomen in het UP21. Dat onderzoek resulteert in een voorstel tot kostenreductie door het realiseren van een verschuiving van Wmo-vervoer naar aanvullend openbaar vervoer. Besluitvorming hierover volgt later dit jaar. Afhankelijk van besluitvorming en nadere uitwerking vraagt dit om een investering in 2022 in de ontwikkeling van een regionaal vervoersloket en de voorbereiding van een organisatie voor aanvullend openbaar vervoer van € 346.400.
De opdracht voor het reorganiseren van doelgroepenvervoer is een taakverantwoordelijkheid die ligt bij het bestuur van de Gemeenschappelijke regeling ROGplus. Het instellen van een regionaal vervoersloket ligt bij de gemeente. Besluitvorming over de nieuwe opzet en uitvoering van het doelgroepenvervoer en het bijbehorende kostenplaatje vindt plaats binnen ROGplus.
Integraal Huisvestingsplan
In het integraal huisvestingsplan zijn de volgende twee risico’s te benoemen.
Indexering
De in de meerjareninvesteringsbegroting (MIP) opgenomen bedragen voor het IHP worden jaarlijks geïndexeerd met het reguliere indexpercentage voor goederen en diensten. Dit percentage kan afwijken van de indexatie zoals deze door de VNG wordt geadviseerd voor onderwijshuisvesting. De laatste jaren zien we dat de bouwindex aanzienlijk hoger is dan de algemene inflatie. We lopen dus het risico dat de bedragen in het MIP onvoldoende zijn om de inflatie te volgen.
Met uw raad is afgesproken dat voor ieder project uit het IHP afzonderlijk krediet wordt aangevraagd. Deze kredietaanvragen zijn in eerste aanleg gebaseerd op de bedragen zoals opgenomen in het MIP. Vervolgens vindt aanbesteding plaats. Na de aanbestedingsprocedure zijn de feitelijke kosten bekend en wordt duidelijk of het gevoteerde krediet toereikend is. Dit betekent dat de raad na de aanbestedingsprocedure indien noodzakelijk wordt voorgesteld om het verschil tussen het beschikbaar gestelde krediet en de feitelijke kosten aanvullend beschikbaar te stellen. Voor de projecten die in 2022 gepland zijn en voor de binnenmilieumaatregelen zijn in 2020 al kredieten beschikbaar gesteld.
VAT- en omgevingskosten
In het IHP is nog geen rekening gehouden met de kosten van voorbereiding, administratie en toezicht (VAT) en de kosten van eventuele aanpassingen van de omgeving. VAT kosten betreft o.a. advies- en toetsingskosten, beoordeling van ruimtelijke planprocedures, omgevingsvergunning en projectleiding.
Het aanpassen van de buitenruimte betreft bijvoorbeeld het aanpassen van de verkeersomgeving voor het creëren van een veilige verkeerssituatie bij de school. Per aan te vragen krediet wordt in beeld gebracht welke VAT- en omgevingskosten noodzakelijk gemaakt moeten worden en wordt beoordeeld in hoeverre deze binnen de bestaande begroting gedekt kunnen worden. Een eventueel resterende budgetvraag wordt meegenomen in de betreffende kredietaanvraag.
Vastgoed en Stadsgehoorzaal
De jaarlijkse kosten voor het onderhoud van de Stadsgehoorzaal vormt een risico voor onze begroting. De kosten maken onderdeel uit van de begroting van de vastgoedportefeuille die op dit moment geactualiseerd wordt. De uitkomsten van deze actualisatie zijn nog niet bekend.
Meicirculaire 2021
Ten tijde van het opstellen van deze kadernota is de meicirculaire nog niet verschenen. In de kadernota is dan ook geen rekening gehouden met deze circulaire. Hierover informeren wij u separaat.